Een lesobservatie kan worden gebruikt om een docent te beoordelen, maar ook om een docent te helpen leren. Volgens onderwijswetenschapper Dylan Wiliam is het moeilijk om beide doelen binnen hetzelfde proces geloofwaardig te combineren.
Zodra een observatie mogelijk gevolgen heeft voor de beoordeling van een docent, verandert het gedrag in de klas. Docenten zullen eerder op veilig spelen, minder snel experimenteren en mogelijke ontwikkelpunten minder open bespreken. Daarmee verliest de observatie juist een belangrijk deel van haar waarde voor professionele groei.
Wiliam benadrukt bovendien dat één geobserveerde les onvoldoende basis biedt voor een algemeen oordeel over de kwaliteit van een docent. Lesgeven is daarvoor te afhankelijk van de klas, de leerstof en het moment. Een observatie is een momentopname, geen definitieve typering van professioneel handelen.
Bij een ontwikkelgerichte observatie moet de docent daarom zoveel mogelijk eigenaar zijn van het proces. De docent kiest de ontwikkelvraag, bepaalt welke informatie relevant is en weet vooraf wat er met de verzamelde gegevens gebeurt.
Dat betekent niet dat de observator geen deskundigheid mag inbrengen. Het betekent wel dat observatiegegevens het begin vormen van een professioneel gesprek, niet het einde in de vorm van een score of oordeel.
Uiteindelijk draait goede feedback volgens Wiliam om de vervolgstap. Niet wat de observator zegt, maar wat de docent daarna denkt, probeert en leert, bepaalt de waarde van de lesobservatie.