Lesobservaties vormen een belangrijk instrument voor het verbeteren van de kwaliteit van onderwijs. De manier waarop een observatie wordt uitgevoerd, heeft echter grote invloed op de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de uitkomsten.
In de praktijk bestaan er twee verschillende benaderingen van observeren; observaties met een oordeel (in onderzoeken benoemd als high-inference observaties) en observeren zonder oordeel (low-inference observaties). De eerste maakt gebruik van beoordelingsschalen, zoals Likert-schalen, waarbij de observator de kwaliteit van het handelen beoordeelt. De tweede registreert uitsluitend wat feitelijk waarneembaar is tijdens de les.
Steeds meer onderzoek laat zien dat deze twee methoden niet alleen verschillende resultaten opleveren, maar ook verschillende doelen dienen. Vooral wanneer betrouwbaarheid, transparantie en professionele feedback centraal staan, biedt observeren zonder oordeel belangrijke voordelen.
Twee observatiemethoden
| High-inference observatie (Likert-schaal) | Low-inference observatie |
| Observator beoordeelt de kwaliteit van gedrag. | Observator registreert uitsluitend zichtbaar gedrag. |
| Gebruikt vaak een Likert-schaal (bijvoorbeeld 1–5). | Gebruikt tellingen, ja/nee-indicatoren of feitelijke registraties. |
| Vereist interpretatie van de observator. | Vereist minimale interpretatie. |
| Bijvoorbeeld: “De docent activeert leerlingen effectief.” | Bijvoorbeeld: “De docent stelt twaalf open vragen.” |
| Meer ruimte voor subjectiviteit. | Grotere objectiviteit. |
| Intensieve training noodzakelijk. | Minder uitgebreide training nodig. |
| Lagere overeenstemming tussen observatoren. | Hogere interbeoordelaarsbetrouwbaarheid. |
De rol van interpretatie
Het grootste verschil tussen beide benaderingen ligt in de hoeveelheid interpretatie die van de observator wordt gevraagd. Wanneer een observator een score geeft op een uitspraak als “De docent motiveerde leerlingen effectief”, combineert hij meerdere waarnemingen met zijn eigen professionele oordeel. Factoren als ervaring, verwachtingen, persoonlijke normen en eerdere indrukken van de docent kunnen deze beoordeling beïnvloeden. Bij een low-inference observatie wordt deze interpretatie bewust uitgesteld. De observator noteert uitsluitend wat zichtbaar of hoorbaar is, zoals:
- het aantal vragen en hoe daarop wordt gereageerd
- hoe wordt gereageerd op ongewenst gedrag
- welke niveaus van Bloom er in de uitleg worden gebruikt
Daardoor ontstaat een objectievere beschrijving van de les.
Betrouwbaarheid
Een van de belangrijkste bevindingen uit het internationale onderzoek is dat low-inference observaties een hogere betrouwbaarheid opleveren. Wanneer twee observatoren dezelfde les bekijken, zullen zij het meestal snel eens zijn over feitelijke gebeurtenissen. Zij kunnen bijvoorbeeld onafhankelijk van elkaar vaststellen dat een docent tien open vragen stelde of dat leerlingen gedurende vijftien minuten zelfstandig werkten.
Bij likert-beoordelingen ontstaan daarentegen gemakkelijker verschillen. De ene observator beoordeelt dezelfde les met een 3, terwijl een andere een 5 geeft. Beide observatoren hebben dezelfde les gezien, maar interpreteren de kwaliteit verschillend.
Juist omdat lesobservaties vaak worden gebruikt voor coaching, kwaliteitszorg en soms zelfs personeelsbeleid, is een hoge betrouwbaarheid essentieel.
Betere feedback voor docenten
Voor professionele ontwikkeling blijken feitelijke observaties vaak waardevoller dan algemene beoordelingen. Een docent heeft weinig aan opmerkingen als:
“Je scoorde een 3 op vraagstelling .”
Veel bruikbaarder is feedback als:
- Tijdens de les stelde je 12 vragen, verlengde je er 3 en gaf je 5 x een compliment voor inzet bij de beantwoording
Deze informatie is concreet, controleerbaar en direct bruikbaar voor verdere ontwikkeling.
Minder beoordelingsbias
Iedere observator neemt onbewust persoonlijke overtuigingen mee tijdens een observatie. Bekende vormen van beoordelingsbias zijn onder andere het halo-effect, strengheid of mildheid, eerste-indruk-effecten en bevestigingsbias.
Doordat low-inference observaties zich beperken tot feitelijk gedrag, is er minder ruimte voor dergelijke vertekeningen. Natuurlijk blijft volledige objectiviteit onmogelijk, maar de kans dat persoonlijke indrukken de registratie beïnvloeden wordt aanzienlijk kleiner.
Conclusie
High-inference observaties en low-inference observaties zijn geen concurrenten, maar dienen verschillende doelen. Wanneer een organisatie vooral een algemeen kwaliteitsoordeel wil geven, kunnen beoordelingsschalen nuttig zijn. Wanneer betrouwbaarheid, professionele ontwikkeling en transparantie centraal staan, verdient de low-inference benadering echter duidelijk de voorkeur.
EQObserve heeft beide benaderingen geïntegreerd in de app.
Literatuur
White, M., & Maher, B. L. (2024). How might rubric-based observations better support teacher learning and development? Educational Research, 66(1), 86–101. https://doi.org/10.1080/00131881.2024.2304542
LaRusso, M. D., Al-Adeimi, S., Kim, H. Y., Harbaugh, A. G., & O’Connor, C. (2024). Capturing classroom talk with the Low-Inference Discourse Observation Tool: A validation study. The Journal of Early Adolescence, 44(4), 486–516. https://doi.org/10.1177/02724316231182291
Brophy, J. E., & Evertson, C. M. (1973). Low-inference observational coding measures and teacher effectiveness (Research Report No. 73-4). Texas Research and Development Center for Teacher Education. https://eric.ed.gov/?id=ED077879
McConnell, T. R., & Bowers, N. D. (1979). Relationships among low-inference classroom observation measures, teacher ratings, and student outcomes. ERIC. https://eric.ed.gov/?id=ED171780